Verenigingsmanagement de jaren ’60: de bloeiperiode

Geplaatst op:

Welkom op het blog ter gelegenheid van het 60-jarig jubileum van Lejeune. In aanloop naar het jubileumcongres op donderdag 31 oktober presenteren we de komende maanden een blogreeks waarin we de zes decennia van Lejeune Association Management voorbij laten komen. Per decennium vertellen we iets over de context: de wereldgeschiedenis, economische, maatschappelijke en bestuurlijke ontwikkelingen én hoe ons bureau zich aan de hand daarvan voortdurend heeft ontwikkeld.

Deel 2 – de jaren ’60: de bloeiperiode

Toenemende Europese oriëntatie

In het vorige blog hadden we het over de naoorlogse wederopbouw. Na de verwoestingen en trauma’s opgelopen tijdens de Tweede Wereldoorlog was het zaak om de nationale samenlevingen dicht bij huis van de grond af aan op te bouwen en de door de bezetter stilgelegde instituten en structuren nieuw leven in te blazen. In de jaren ’60 verschoof het accent naar Europese samenwerking. De ‘optimistische’ jaren ’60 waren in West-Europa een periode van sterke economische groei en industrialisatie, van grootschalige ruimtelijke ordening en vernieuwing, van toenemende maatschappelijke bewustwording en emancipatie, maar ook van spanningen tussen Oost en West en van Koude Oorlog. Het groeiende besef van een gemeenschappelijk Europees perspectief boven nationale belangen vertaalde zich door op brancheniveau.

Afbeelding gegenereerd met Dall-E.

Jaren van toenemend vertrouwen en optimisme….

De voortdurende wederopbouw leidde tot een modernisering van de economieën. Ondanks de sterke naoorlogse bevolkingsgroei zagen verschillende landen zich genoodzaakt om arbeiders van buiten de landsgrenzen aan te trekken om aan de vraag te kunnen blijven voldoen. Gesteund door dit gunstige economische klimaat en het daaruit voortvloeiende optimisme verlegden de West-Europese landen steeds meer hun blik over de grenzen.

Foto: Europese Gemeenschap staten 1957 wikipedia commons Auteursnaam en licentie staan vermeld in de link


De Benelux-landen hadden al eerder hun vooroorlogse plan om een douane-unie te stichten ten uitvoer gebracht. De eind jaren ’50 gestarte Europese Gemeenschappen op deelterreinen (de EEG, de EGKS en Euratom) werkten aan verdere integratie en zouden in 1965 geheel fuseren tot ‘De Europese Gemeenschappen’. Naast kolen, staal en kernenergie werd toen ook het Europese landbouwbeleid toegevoegd aan de Europese kroonjuwelen.

… met vallen en opstaan

Wel was er vanuit de 6 EEG lidstaten (West-Duitsland, Frankrijk, Italië en de Benelux landen) nog onenigheid met de 7 landen die zich hadden aangesloten bij de European Free Trade Association EFTA (Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Zweden, Denemarken, Oostenrijk, Zwitserland en Portugal) over het bereik en tempo van de Europese integratie. Daar waar de EEG aanstuurde op verdergaande integratie van politieke en sociaaleconomische structuren en het vrije verkeer van personen, goederen en diensten, wilde de EFTA niet verder gaan dan vrijhandel tussen de lidstaten. Zo dreigde er een vorming van twee divergerende economisch blokken. Op EEG-niveau werden alvast de Europese Commissie (de Europese ‘Raad van Bestuur’), de Europese Ministerraad (het Europese equivalent van de Raad van Toezicht) en het Europees Parlement (als ‘Vergadering van Aandeelhouders’) opgericht.

… en in de context van maatschappelijke en politieke veranderingen

https://en.wikipedia.org/wiki/Protests_of_1968#/media/File:Demonstratie_tegen_oorlog_in_Vietnam,_NATO_enz._in_Amsterdam,_Bestanddeelnr_921-2506.jpg
Foto: studentenprotest wikipedia commons Auteursnaam en licentie staan vermeld in de link

 De welvarende jaren ’60 waren het tijdperk waarin de eerste naoorlogse generatie volwassen werd. Hun ouders waren opgegroeid in een ander, vooroorlogs tijdperk dan hun vaak hoger opgeleide kinderen voor wie een grotere, gemoderniseerde wereld zich ontvouwde via de televisie, popmuziek en sociale verandering. Dat mondde uit in de studentenprotesten in diverse landen in 1968, als blijk van verzet tegen de gevestigde orde en voor sociale verandering en democratisering.

Dit alles speelde zich af tegen de achtergrond van de Koude Oorlog die begin jaren zestig in alle hevigheid woedde met de bouw van de Berlijnse Muur in 1961, de Cubacrisis een jaar later, het IJzeren Gordijn binnen Europa en de Vietnamoorlog daarbuiten gedurende het gehele decennium. Tegen het einde daarvan was de ondertekening van het Verdrag inzake de Non-Proliferatie van Kernwapens uit 1968 een hoopvol teken van ‘ontspanning’.

De rol van brancheorganisaties

De hiervoor in een notendop geschetste ontwikkelingen zijn van grote invloed geweest op de ontwikkeling van (Europese) samenwerking op sectorniveau. Op nationaal niveau raakten brancheorganisaties steeds verder betrokken bij de vormgeving van overheidsbeleid op het gebied van arbeid, milieu en consumentenbescherming. Ze investeerden in uitbreiding van capaciteit teneinde de gezamenlijke belangen van hun leden te behartigen en beleidsvoorstellen in te dienen. Daarnaast had de toenemende maatschappelijke bewustwording en veranderende rol van de vakbonden tot gevolg dat ook brancheorganisaties hun maatschappelijke rol en positie dienden aan te passen.

De toenemende Europese integratie leidde ook tot groei van Europese samenwerking op brancheniveau. Voor het streven van de EEG om te komen tot een gemeenschappelijke interne markt was alleen het harmoniseren van wet- en regelgeving tussen de lidstaten niet voldoende. In de snel geïndustrialiseerde naoorlogse samenleving diende ook het speelveld op sectorniveau te worden gelijkgetrokken. Behalve als lobbyorganisaties op nationaal niveau zochten veel nationale brancheorganisaties op Europese schaal de samenwerking met collega-organisaties, met als belangrijkste doelen het vormen van Europese netwerken, het delen van kennis en informatie, en het samen werken aan gemeenschappelijke standaarden op sectorniveau. Daarbij dienden niet alleen landsgrenzen te worden overbrugd, maar ook culturele en taalbarrières doorbroken. De Benelux-landen hadden daarbij vanwege hun relatief neutrale positie tussen de voormalige kemphanen en hun meertaligheid een goede uitgangspositie.

“De sector een identiteit geven”

Een goed voorbeeld uit de praktijk van Lejeune uit die tijd is de oprichting van FINAT, de Europese branchevereniging voor producenten van zelfklevende etiketten. In het boek ‘United in Labels’ dat ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de vereniging in 2008 werd uitgegeven, blikt oprichter en eerste voorzitter van de vereniging, de Fransman André Strauss, terug op de eerste jaren. Het boek citeert de heer Strauss: "Mijn bedoeling was om een bredere uitwisseling van meningen en standpunten te creëren en om na te gaan of het mogelijk zou zijn om een structuur te vinden die het mogelijk zou maken om deze nieuwe industrie een identiteit te geven." Van het een kwam het ander en zo richtten 20 stichtende leden FINAT op (inmiddels telt deze meer dan 600 leden). Kort na de oprichting werd een Technische Commissie opgericht met als doel technische normen in te voeren in dit nieuwe industriesegment en een uitwisseling van kennis mogelijk te maken.

Een persoonlijk verhaal


Zoals in het vorige blog vermeld was Mans Lejeune na zijn afstuderen in 1958 begonnen als persoonlijk assistent van KVP-politicus Pieter Blaisse in Den Haag. In die rol schreef hij wekelijks een column in het katholieke opinieweekblad De Linie (later omgedoopt in De Nieuwe Linie) over Europese zaken. Een aantal van die columns is bewaard gebleven en geeft een goed beeld van de dynamiek van Europese integratie in die tijd en de schijnbare tegenstellingen tussen strategische autonomie en nationaal belang, tussen vrijhandel en sociaaleconomische integratie en tussen nationale soevereiniteit en Europese eenheid. Lees meer hierover in de samenvatting van Mans’ visie.

De jaren ’60 waren ook de periode dat de vier kinderen uit het gezin Lejeune in Den Haag werden geboren. Het kraambezoek van oudste zoon Jules was op televisie in de kliniek getuige van het begin van de Berlijnse Muur in 1961, jongste zoon Mans zag het levenslicht te midden van het tumult rondom de studentenopstanden in Parijs en Bonn in 1968. Tussendoor kwamen de zussen Lisanne (in het jaar dat John F. Kennedy werd vermoord) en Astrid (toen fans van de Rolling Stones het Kurhaus afbraken) ter wereld en verhuisde het groeiende gezin van de driekamerflat in het Haagse Mariahoeve naar een eengezinswoning in de Leidschendamse vogelbuurt.

 ‘Ze moeten zich organiseren’

Moeder Tonny en haar kinderen waren van dichtbij getuige hoe de jonge ondernemer Mans vanaf 1964 het Bureau Le Jeune, ‘bureau voor bedrijfssamenwerking’ opstartte en uitbouwde. Toen aan het begin van de jaren ’60 het ‘Europees project’ in een stroomversnelling raakte, maakte Mans van dichtbij mee hoe nationale branches in actie kwamen om hun belangen en voorstellen onder de aandacht te brengen van de Europese politiek. Zijn toenmalige baas Pieter Blaisse was als afgevaardigde van het Nederlandse parlement prominent lid van het Europees parlement en bekleedde daar de functies van vicevoorzitter en voorzitter van de Commissie voor de Interne Markt. “Laat ze zich asjeblieft organiseren als sector” verzuchtte de heer Blaisse tijdens een van de wekelijkse werkbesprekingen, nadat eenzelfde vraagstuk meermaals aan de orde was gekomen. Dat liet de jonge Mans zich geen twee keer zeggen. Als eerste klant verwelkomde hij Benalfo (Benelux Aluminium Folie), een kleine Benelux-organisatie. Al snel volgden meerdere organisaties uit de verpakkingensector.

De rest is geschiedenis maar daarover meer in de volgende blogs.

Jules Lejeune

(wordt vervolgd)

Terug naar het overzicht

ISO 9001

Lejeune is ISO 9001:2015 gecertificeerd door EIK certificering, certificeerder voor kennisintensieve dienstverlening.

ISO 9001

Lejeune is aangesloten bij: